De akten van Thulin, die zich in het archief te Mons bevinden, beginnen in 1689. De eerste doopakte van een Amand is er een van 1699. Daar­vóór heb ik in alle geboorteaktes de peter­schap­pen proberen te ontcijferen en zo heb ik een eerste “peter” Amand ontdekt in 1696. Via al deze akten kom ik tot een aantal conclusies over onze oudste voorvaders. Ik heb mij hierbij vooral gebaseerd op de peter- en meterschappen en op gegevens zoals beroepen en dergelijke. De aandachtige lezer zal hopelijk tot dezelfde conclusies komen of er eventuele andere opperen waarover vanzelfsprekend verder kan nagedacht wor­den.

Over Jean Amand (II.1), zijn echtgenote Catherine Berengier en Thulin uit die tijd:

Het oudste spoor tot nog toe leidt naar Jean Amand. Hij zou geboren zijn rond 1641. Bij zijn overlijden op 30 april 1725 te Thulin staat dat hij ongeveer 84 is. Hij wordt er op 1 mei  begraven. Hij huwt op 8 februari 1673 te Boussu. In de akte staat: “Le 8 dudit mois furent épou­sés par curé Jean Wattiez desserviteur, Jean Amand de Thulin, et  Catherine Beren­gier de Boussu, present curé Nicolas Meurant et Jacques Quesnoy.”

Catherine Berengier wordt geboren te Boussu rond 1650 omdat ze wel rond de 25 jaar zal zijn als zoon Jean François geboren wordt (ca 1674).  In de doopakte van haar kleinzoon in 1699 staat dat ze meter is en “mère du dit François Amand”. Zij overlijdt op 18 februari 1706 te Thulin en wordt er dezelfde dag begraven.

Over Jean is er sprake in het werk “La vie quotidienne des Thulinois au 17e siècle”, blz.120, waar verteld wordt dat huursoldaten niet aarzelden om notabelen van de stad te gijzelen om zo losgeld te krijgen. Tussen hen ook Jean Amand in 1696. Hiervan wordt ook melding gemaakt in “Thulin, sa géographie, son histoire” van Philippe Rinchon.  Deze heeft het op blz. 256-257 over een “nouvelle taille imposée pour frais de guerre et séjour de quatre brigades de carabiniers à Thulin” in 1696. Ik citeer “A Hubert Touillet, Jean Amand, François de Biève et Joseph de Henin pour avoir esté deux jours et deux nuittées prisonniers à l’étendart du camp des carabiniers pour le défaut de payement des rations a esté payé à chacun sept livres cy  xxviij livres (28 livres)” Hij wordt er ook vermeld als cultivateur. In 1684 staat over hem “manant ne sachant signer” = “boer die niet kan schrijven”. Het gaat o.m. over “une taille extraordi­naire imposée par les Etats du Hainaut en 14 novembre 1684” (Rinchon, Thulin, blz. 253), een van de vele belas­tin­gen die de mensen toen moesten betalen.

Thulin telde in de 17e eeuw zowat 120 gezinnen en ongeveer 600 inwoners. Drie vierden waren landbouwers en de anderen waren vaklui, dagloners (“manouvriers”) en dienstpersoneel. Ze leefden bijna uitsluitend in hun dorp. De wegen waren trouwens niet zo goed en dat maakte verbindingen met de omliggende dorpen niet zo makkelijk. Het dorp was eigenlijk een grote familie, waar iedereen iedereen kende. Dit verklaart ook waarom 90 % van de jongeren in het dorp zelf trouwden en er bleven wonen. De meesten woonden in armoedige huisjes maar er zijn ook een aantal welstellende “cen­siers”, bezitters van “censes”, dit zijn grote boerderijen. Deze censiers konden meestal lezen en schrijven en hoorden met de pastoor bij de notabelen van het dorp. Zo’n boerderij had een min of meer vierkant binnenhof aan alle kanten omgeven door woon- of werkvertrekken (een stal, een paardenstal, een schaapstal, een varkensstal, een kippenren, een schuur).  De woonvertrekken bestonden dikwijls uit een grote kamer met open haard en enkele kleine kamers met alkoven. Ook was er een zolder waar het graan kon drogen. Alle buitendeuren gaven uit op de binnenkoer. De buitenmuren dienden als bescherming. Je kwam er binnen via een portaal en op de binnenkoer zag je de mesthoop, die best goed gevuld was, een teken van rijkdom. Een van de verblijven had meestal een puntgevel naar de straat gekeerd, ook al een teken van rijkdom. “Avoir pignon sur rue” betekent nog altijd “te goeder naam en faam bekend staan”. Niet zelden was er ook een “courtil”, een hof, aan de hoeve verbonden. Deze was soms 30 tot 50 aren groot en vooral bestemd voor groenten- en fruitteelt. Soms was er ook een bakhuis dat echter niet aansloot bij de andere gebouwen uit schrik voor brand. De censier had dankzij zijn hoeve ook een meer gevarieerde voeding dan de rest van de bevolking.

De 17e eeuw was een woelige eeuw, zeker voor Thulin, zoals mag blijken uit onderstaande gegevens die ook grotendeels komen uit “La vie quotidienne des Thulinois au 17e siècle”.

Eerst wil ik er toch even op wijzen dat onze Zuidelijke Nederlanden, waartoe ook Hene­gouwen behoorde, onder Spaans gezag stonden van 1598 tot 1713. De onrust in de streek van Henegouwen kwam vooral voort uit de drang naar gebiedsuitbreiding van de Franse koning Louis XIV. De verschillende oorlogen die daaruit voortvloeiden hebben de provincie Henegouwen zowat gehalveerd. We beginnen ons summier overzicht in 1655 toen het versterkte Condé in handen van de Franse generaal Turenne viel. Boussu werd dan bezet en Louis XIV installeerde zich zelfs in het plaatselijke kasteel om van daaruit de aanval op Saint-Ghislain in te zetten en het ook triomfantelijk en in gezelschap van Mazarin en 3000 edelen te veroveren. De Span­jaarden trachtten natuurlijk Saint-Ghislain te heroveren maar zonder succes. Intussen was er in 1659 het verdrag van de Pyreneeën, maar toch hernam de oorlog weer in 1667, met inname van Saint-Ghislain, Ath, Charleroi en Binche. In 1676 nam de Franse koning weer bezit van Valenciennes en liet zijn leger in Thulin kamperen. Het jaar daarop werd Saint-Ghislain weer ingenomen, maar in 1678 verlieten de Fransen de stad na de vrede van Nijmegen. Ze vernietigden echter eerst de stadsversterkingen. In 1689 waren er nieuwe schermutselingen tussen de geallieerden (Spanjaarden, Oostenrij­kers en Hollanders) en de Fransen. Ook Zweden, Saksen en Beieren kwamen de Spanjaarden ter hulp. Weer kampeerden er 7000 Franse soldaten in Thulin. In 1690 trok weer een Frans leger door Thulin, op naar Fleurus waar ze de geallieeerden gingen verslaan. In 1691 veroverden

100 000 Franse manschappen Mons dat tot 1697 Frans zal blijven. In 1696 verbleef het Franse leger trouwens opnieuw in Thulin. De vrede van Rijswijk liet echter duidelijk blijken dat Frankrijk er niet zou in slagen nog meer gebied te veroveren. Er waren natuurlijk toch nog pogingen daartoe maar door de slagen van Ramillies in 1706 en van Malplaquet in 1709, waarbij onder meer Marlborough de troepen van Engeland, Oostenrijk en de Verenigde Provinciën aanvoerde, werd Frankrijk definitief teruggedron­gen. In 1713 was er dan de vrede van Utrecht waarbij de Zuidelijke Nederlanden aan Oostenrijk werden toegewezen.

Thulin ligt vlakbij de steenweg Valenciennes – Mons, op korte afstand van versterkte plaatsen als Valenciennes, Condé, Mons en Saint-Ghislain. Rinchon situeert Thulin in 1925 als volgt op blz. 3:

« La commune de Thulin se trouve dans la plaine formant le fond de la vallée de la Haine. Elle fait partie de la province du Hainaut, arrondissement administratif et judiciaire de Mons, canton de milice et de Justice de Paix de Boussu, à 5 kilomètres ouest de la frontière française (Quiévrain) ; 16 kilomètres est de Mons ; 4 ½ kilomètres de Boussu ; 5 ½ kilomètres de Dour ; 3 kilomètres d’Elouges ; 5 kilomètres de Wihéries ; 5,3 kilomètres d’Audregnies ; 4 kilomètres de Montroeuil-sur-Haine ; 6 ½ kilomètres de Crespin (France) ; 5 kilomètres de Pommeroeul et de Ville-Pommeroeul ; 7,3 kilomètres d’Hautrages par route pavée, et à peine 5 kilomètres via Débihan ; 2 kilomètres de Hainin ; 6 kilomètres de Hensies et de Saint-Ghislain ; 15 kilomètres de Condé-sur-Escaut (France) ; à la traversée du chemin vers Audregnies sur la grand’route de Paris, la distance est exactement la même pour Mons et Valenciennes soit 16,3 kilomètres ; de Thulin à Bruxelles 75 kilomètres et vers Paris 266 kilomètres » (Het zal de lezer niet verwonderen dat vele van deze eigennamen in de stamboom voorkomen).

Deze ligging maakt dat Thulin vaak legers ziet doortrekken en kamperen. Zeker zijn de kampen van 1676, 1689 en 1696. Waarschijnlijk verbleven er ook nog legers in 1655, 1656 en 1667. Het is duidelijk dat die legers enorme schade toebrachten aan het dorp en aan zijn inwo­ners. Het grootste deel van het dorp werd door het samenraapsel van rovers en huurlin­gen vernield. Rinchon besluit in zijn werk dat minstens twee derde van de gebouwen zwaar beschadigd werden door deze huursoldaten. Zoals we boven al vermeld hebben, aarzelden ze ook niet om plaatselijke notabelen te gijzelen om een grote losprijs te bekomen.

Bovenstaand kort overzicht kan een idee geven van hoe het er aan toe ging in de streek van Thulin op het moment dat wij daar de eerste sporen van onze voorouders ontdekken. We kunnen er nog aan toevoegen dat de 17e eeuw een algemene afkoeling van het klimaat heeft gekend, hetgeen de levensomstandigheden niet zal vergemakkelijkt hebben, zeker niet in tijden van epidemies en militaire verwoestingen.  Deze gaven dan ook regelmatig aanleiding tot periodes van schaarste. In de streek van Thulin waren er periodes van hongersnood in de jaren 1622, 1625-1626, 1630, 1631, 1636, 1641, 1649-1652, 1660-1662, 1675, 1693 en 1698.

1 COMMENT
Valeria
januari 4, 2017
ad

Heel knap werk en mooie hobby… Boeiende verhalen en interessante historische schets. Het geeft ons info van binnenuit.

Post a comment