Dit is weer een rechtstreekse voorvader. Hij werd geboren en gedoopt te Thulin op 7 januari 1754 (PR film 456, p. 304). Peetouders waren Jean Michel Henaut en Marie Françoise Dassonville. Kapelaan was J.J.Daucho. Ik vermeld hier dat ook al een Henaut en een Dassonville peetouders waren van een kind van Alexis Amand en Adrienne Lemaire in 1753. Deze Marie Françoise was waarschijnlijk een zus van Anne Joseph.
Via verschillende akten en enkele minder zekere gegevens kunnen we toch iets over deze rondtrekkende douanier vertellen. Rond 1785 was hij in Brussel, waar hij trouwde met Isabelle Dupré (Duret, Duprès, du Pré), geboren te Brussel (volgens trouwakte van dochter Marie Anne) rond 1767. Ze overleed te Thulin op 15 december 1833 (leon amand). Ze was een dochter van Mathieu Dupre en Anne Marie Hobert. Uit dit huwelijk kwamen 6 kinderen.
Rond 1788 was hij in Brussel, waar hij zijn eerste dochter kreeg. In 1790 was hij in Gheluwe, het huidige Wervik in West-Vlaanderen, waar zijn tweede dochter geboren werd. Van 1800 tot 1805 woonde hij als douanebeambte in Stabroek, waar zijn 4 andere kinderen geboren werden. In de geboorteakte akte van 1802 staat dat hij 47 was en douanebeambte in het kantoor van “Putte France”. Er staat bij dat hij in Thulin geboren was, in het departement Jemappe en dat hij in Stabroek woonde in de zesde sectie.
Was hij in 1823 getuige bij aangifte van het overlijden van een buur in Thulin? Deze getuige was toen 64 en rentenier en woonde in de section A 118. In 1825 was hij volgens de huwelijksakte van zijn dochter 73 en herbergier in Thulin. In december 1827, bij het huwelijk van zijn zoon Charles Antoine met Valentine Debaisieux, was hij gepensioneerd en woonde nog steeds in Thulin. In januari 1828, bij de trouw van zijn zoon Jacques met Marie Thérèse Joseph Ducobu te Boussu, was hij er nog steeds bij en woonde hij nog in Thulin. Op 16 december 1833 stierf zijn vrouw te Thulin, in de leeftijd van 66 jaar. Dan staat hij nog steeds als herbergier ingeschreven. Zelf stierf hij op 28 augustus 1836 te Bury in de ouderdom van 82 jaar (leon amand). Ik moet nog eens zoeken of hij geen kinderen heeft gehad na de gboorte van zijn tweede dochter, want daarna is er een periode van 10 jaar zonder kinderen en dat lijkt lang.
Vermits Boniface douanier was op het einde van de 18e eeuw, vermelden we hier enkele wetenswaardigheden over dit boeiend beroep, zoals die vermeld staan in het werk “La douane belge au temps de Marie-Thérèse et de Joseph II”, dat J. Pricken schreef in Brussel in 1965. Deze was “directeur général honoraire des douanes et accises”. Ter herinnering vermelden we hier dat België onder Oostenrijks Bewind leefde van 1713 tot 1794. De wijze en geliefde Maria Theresia regeerde van 1740 tot 1780 en de verlichte en voortvarende “keizer-koster”, Jozef II regeerde van 1780 tot 1790.
Hoe zou Boniface zijn aangeworven?
Vanaf 1779 stond de recrutering voor de ondergeschikte kaders op punt. De geïnteresseerden moesten vrijgezel zijn, tussen 20 en 30 jaar oud en zich op het kantoor van de regie begeven voorzien van een doopakte en een getuigenis van goede zeden, dat moest afgeleverd zijn door de pastoor of door de wetsdienaars van zijn woonplaats. Reeds in 1770 was bepaald dat ze moesten kunnen lezen en schrijven. Als bewijs hiervan twee sierlijke handtekeningen op akten van 1802 en 1825.
De clausule over het celibaat was gerechtvaardigd, gezien de lage lonen van de bedienden. Ze zouden moeilijk een familie kunnen onderhouden. Als ze, eenmaal in functie, wilden trouwen, moesten ze daarvoor de uitdrukkelijke toelating krijgen van de “Conseil des Finances”, het hoogste administratieve gezag bij de douane. Deze toelating was trouwens later nog vereist, zoals blijkt uit bijgevoegd uittreksel uit de huwelijksakte van mijn rechtstreekse voorvader Charles Antoine Amand in 1827. Vrij vertaald staat er: Charles Antoine Amand, 27, bediende te voet van de 4de klas in Bon Secours. Gedomicilieerd in Blaton. Vrij van legerdienst volgens het getuigschrift van zijne excellentie de gouverneur van de provincie Brugge van 15 september 1826 en toegestaan te huwen door toestemming van de Raad van State afgeleverd te Den Haag op 29 oktober 1827. Geboren te Stabroek…
Over die lonen gaan we het nu hebben. Een gewone “garde” verdiende ongeveer 240 gulden per jaar en hij moest zelf instaan voor zijn woonst. Wat dit betekent, moge blijken uit het volgende: in 1770 betaalde een ongehuwde beambte 18 gulden per jaar voor de huur van kwartieren met twee plaatsen, met een tafel, een houten bed, een kast, twee stoelen en een draagbaar kookvuur. Voor een huis – en een gehuwde beambte had dit allicht nodig – betaalde men ongeveer 26 gulden jaarlijks. De beambten moesten trouwens ook zelf hun schouderriem betalen. Deze was versierd met een bronzen medaille en diende als herkenningsteken. Ze moesten zich ook op eigen kosten wapens aanschaffen. Dit kon een geweer, een pistool of een sabel zijn. Terloops merken we hier op dat er geen duidelijke onderrichtingen bestonden om het gebruik van de wapens te regelen. Als we die lonen en onkosten nu vergelijken met andere categorieën arbeiders, komen we tot het besluit dat een douanebeambte er niet slechter aan toe was dan een geschoold arbeider, zeker daar hij een vast beroep had en dus minder kans op werkloosheid.
Daartegenover moeten we echter twee dingen stellen. Ten eerste dat de douanier veelvuldig moest verhuizen. We nemen hier het voorbeeld van Boniface en kunnen stellen dat hij in zijn leven toch heel wat heeft rondgetrokken. Uit verschillende documenten kan ik afleiden waar hij gedomicilieerd was:
1754 Thulin
1785, 1788 Brussel
1790 Geluwe
1800, 1805 Stabroek
1823, 1825, 1827, 1828, 1833 Thulin
1836 Bury
Het kon erger… een gewone “garde” kon in zo’n twintig (!) verschillende plaatsen moeten dienst doen. Als ze moesten verhuizen kregen ze trouwens geen enkele vergoeding. Was het een verre verplaatsing, dan verkochten ze hun meubelen aan een spotprijs en als de winter naderde, verkochten ze ook nog hun voorraad aardappelen… Als voorbeeld dit geval uit 1761: een zekere garde Robles werd van Rolduc, bij Kerkrade, overgeplaatst naar Avelgem. Hij vertrok op 7 oktober en kwam aan op de 17e. Voor zijn reiskosten kreeg hij tweemaal een voorschot, dat later van zijn wedde werd afgehouden. Slechts in 1787 kwam er een vergoeding voor de lagere bedienden, het bescheiden bedrag van tien gulden.
Ten tweede dat de minste onregelmatigheid hem zoniet zijn werk, dan toch een halve of een hele maand wedde kon kosten. Als voorbeelden van misstappen geven we hier: trouwen zonder toestemming van de Raad van Financiën; vragen om te trouwen met een meisje dat door toedoen van de douanier zwanger was of voorliegen dat ze zwanger was; geen schouderriem dragen; jagen; honden houden; handel drijven; dronkenschap, de meest voorkomende misstap. In 1774 werden er om deze reden 35 douaniers afgedankt en in 1775, 36. Gelukkig betekende straf niet altijd ontslag. Soms werd een beambte gedegradeerd of werd zijn wedde verminderd.
In verband met pensioenen, kunnen we vermelden dat er voor een douanier geen ouderdomsgrens bepaald was. De meesten werkten dan ook zo lang mogelijk, want als pensioen kreeg men soms maar 120 gulden of minder. In 1765 waren er zo nog 19 beambten tussen de 65 en 70, 4 tussen 70 en 75 en zelfs 5 van nog ouder. Later, na 1782, werd er toch een vast pensioen voorzien al naargelang de jaren dienst.
Stierf een douanier, dan kreeg de weduwe één maandwedde doorbetaald om terug te keren naar haar geboortestreek… Soms kreeg ze drie maanden wedde “als het echt nodig was en als er kinderen waren”.
Als besluit vertaal ik vrij het besluit van auteur J. Pricken. “Deze “belle époque” van de tweede helft van de 18e eeuw, was voor de kleinen, voor het voetvolk van de douane, een ijzeren periode, die de geschiedenis niet vermeldt. De douanier had grote schrik voor de dag van morgen, voor ziekte, voor ouderdom. Hij liep het risico op elk moment verplaatst te worden naar de andere kant van het land. Hij was voortdurend bang een onregelmatigheid te begaan, want die kon hem een halve of een hele maand wedde kosten. Hij had schrik afgedankt te worden en zich te bevinden tussen de massa werklozen, bedelaars en landlopers”.