Op 13 oktober 1842 is Frans Braekers 72 jaar. Hij zal, als ex-burgemeester van Beek en vertrouwd met de wetgeving, wel vernomen hebben dat er op 1 mei 1842 een wet is gestemd die toelaat schadevergoeding te vragen voor geleden schade tijdens de Belgische Omwenteling in 1830. Dat kwam goed van pas want hij had inderdaad schade geleden ten gevolge van een “oorlogsdaad” in het belangrijke jaar 1830.

In een in het Frans opgestelde akte uit 13 oktober 1842 (rectoverso) staat dat hij voor de vrederechter van Bree verschijnt. Dat is Arnold Ferdinand Jacques De Borman, bijgestaan door de ontvanger van Bree, Jean Henri Jacques Vlecken, die de rol van de zieke griffier vervult. Hij moet volgens boven genoemde wet vergezeld zijn van 5 getuigen. Dat zijn volgens de akte allemaal notabele inwoners van Beek:

Hubert Ercken, Nicolas Konings, secretaris van Beek, Bartolomeus Dreesen, gehuwd met Maria Helena Braekers, een zus van François. Hij was burgemeester van Beek van 1808 tot 1820. Guillaume Driesen en Adrien Ercken.

Frans is van vele markten thuis (zie het artikel over landbouwer Frans) en heeft van de dienst Water en Bos, de visvangst gehuurd op het kanaal Maastricht – ‘s Hertogenbosch, van aan de brug van Bree tot aan die van Bocholt, voor een termijn van 6 opeenvolgende jaren, vanaf 20 juli 1829 tot 20 juli 1835 en dat voor 143,91 frank.

Op 30 oktober 1830 wordt de dijk van het kanaal doorgestoken vlakbij Neeroeteren om zo de verbinding tussen beide voornoemde steden te onderbreken. Gevolg: alle water loopt uit het kanaal en van visvangst is er dan geen sprake meer natuurlijk. De schade wordt geëvalueerd op 122 fr per jaar. Dat maakt voor de duur van het huurcontact 579, 50 fr (122 x 4 jaar, 8 maanden en 20 dagen (van 30 oktober 1830 tot 27 juli 1835) = 579,50). En dan is daarbij niet inbegrepen het verlies van vismateriaal dat hij niet heeft kunnen gebruiken.

Pas op 28 januari 1845 volgt er een akte (recto verso) opgesteld door Michiel Hillen, bouwman wonende te Beek, die als expert benoemd is op 13 december 1844 door de Bestendige Deputatie van Limburg. Hij schat de schade jaarlijks op 120 frank. Hij heeft daarbij overwogen dat Frans Braekers zijn materiaal aan een lagere prijs heeft moeten verkopen. Hij merkt ook op dat het ingediend schadebedrag zeker niet te hoog is berekend, zeker omdat het de enigste visserij was in de streek.

Waarom hij er dan toch 2 frank vanaf pitst en of het bedrag ook zo is uitbetaald, heb ik nog niet gevonden.

Ik ben dan eens gaan zoeken naar die sabotagedaad van eind oktober – over de datum bestaat geen eensgezindheid – en zie hier wat ik heb gevonden.

Ik citeer F. Medaer, Verbondenheid over de grenzen heen, p. 29 over een feit dat eerder die maand plaats vond: «Eind augustus 1830 brak de revolutie uit en begin september kreeg de opstand ook Limburg in zijn greep. De ene na de andere Limburgse stad – aan beide zijden van de Maas – kozen expliciet de zijde van België. Begin oktober beschadigden Maaseikenaren een sluis op de Zuid-Willemsvaart in Lozen. Daardoor konden een paar schepen niet doorvaren naar Maastricht om er het Hollands garnizoen te bevoorraden.»

In «Hoe een provincie in twee delen werd gesplitst» van G.J.B. Verbeet, uitgegeven in 1985, lezen we op p. 25: «Maaseik maakte van de overgang naar het nieuwe bewind vanaf 20 oktober een meerdaags stadsfeest. Met de harmonie voorop werd de Brabantse driekleur van buiten de stadspoort naar het centrum gedragen. Daarna was het een grote kermis. Onder leiding van de gebroeders André en Mathieu Paumen werd een groep gevormd, die op 27 oktober een gat sloeg in de duiker van de Zuid-Willemsvaart bij Neeroeteren, waardoor het kanaal onbevaarbaar werd.”

P. Maes, Geschiedenis van Bree, II, p 231 schrijft «Vanaf 1830 sneden de Hollanders negen jaar lang alle toevoer van water tot het kanaal af, zodat het droog stond.» Dat lijkt mij niet op die sabotage te wijzen.

Ik heb op internet het volgend artikel gevonden verschenen in Limburg-Het Oude Land van Loon 95 (2016) “Jean Jacques-Arnaud Gérardot de Sermoise (1769-1852) – Over zijn soms “hobbelige” carrière bij de dienst Bruggen & Wegen (1803-1838)” van auteur Bruno Indekeu. Op p. 75 staat dat hij zelfs verdacht werd van sabotage aan de Zuid-Willemsvaart (in de nacht van 27 op 28 oktober 1830), waardoor deze helemaal leeggelopen was.

Onder https://adoc.pub/hulp-uit-onverwachte-hoek-de-inschrijvingsregisters-van-de-a.html vind ik in Vlaamse Stam, jg. 44, nr. 3, mei 2008 op pp. 299-300 een hoofdstukje over de “rivaliteit tussen de families Pendris en Indekeu; en hoe een dubbeltje rollen kan”: Al vanaf 1817 werd Matheus [Indekeu] in de geboorteakten van zijn kinderen vermeld als landmeter en – hoe kan het anders? – als bierbrouwer. Vanaf 1820 vond hij zijn weg in het plaatselijke bestuur en werd gemeentesecretaris. Al een eeuw lang stond de familie Pendris in Neeroeteren aan de top van de sociale ladder, maar in 1825 slaagde Matheus er in om tot burgemeester benoemd te worden. N.a.v. van de incidenten bij de Belgische onafhankelijkheid (1830) hing hij die burgemeestersjas aan de wilgen. In de nacht van 27 op 28 oktober 1830 was er een dijkdoorbraak van de Zuid-Willemsvaart, tussen Neeroeteren en Rotem. In de vroege morgen gingen burgemeester Matheus Indekeu en veldwachter Hendrik Everts poolshoogte nemen, maar botsten op een patrouille Hollandse rijkswachters en militairen, die een sabotagedaad veronderstelden en de burgemeester en veldwachter zeer onzacht behandelden. Matheus Indekeu was hier zo van onder de indruk dat hij op 30 oktober 1830 zijn ontslag indiende. Op 13 december 1830 stelde het Belgisch Voorlopig Bewind de vorige burgemeester, Willem Pendris, als dusdanig terug aan.

Tot (voorlopig?) slot citeer ik uit Geschiedenis van Neeroeteren van P.J. Maas, Deel I, pp.457-458: “Te Neeroeteren waren de eerste dagen der Omwenteling rustig voorbijgegaan. Wel had men eenigszins te lijden gehad door de doortochten van troepen, doch de ongemakken welke de inwoners deswegens moesten verduren, waren op verre na niet te vergelijken met de afpersingen van vroeger.

Den 28n October 1830 verergerde de toestand jammerlijk zoodanig dat het plaatselijk bestuur verplicht was zijn ontslag in te dienen. Ziehier de oorzaak van dien plotselingen ommekeer. In den nacht van 27n tot 28n October, was het kanaal tusschen Neeroeteren en Dilsen, boven de tweede ronde kom, doorgestoken of doorgebroken, zoodat de vaart ledig liep en de scheepvaart belemmerd was. [De Hollanders die te Maaseik lagen beschuldigden de Maaseikenaars de vaart doorgestoken te hebben. Om de stad te bestraffen, legde de generaal Saxe-Weimar de hand op de openbare kassen die 8042 fr. inhielden en gebood de inwoners, op doodstraf, al hunne wapens in te leveren]. (Wolters: Notice historique sur la ville de Maeseyck, bl. 45 – boek te vinden op internet)

De burgemeester en de veldwachter begaven zich ‘s morgens vroeg naar de plaats der ramp om te onderzoeken wat er behoorde gedaan te worden, doch “onderweg dicht bij brug n° 24, is bij ons gekomen een detachement marechaussee en curassiers aan welke wij onze kwaliteijt hebben kenbaar gemaakt, egter moeten wij uw met betreuren mede deelen, dat wij van deze zoo slegt zijn onthaald geworden dat wij niet eenen moment meer aarselen om onsen post als burgemeester en bestuurleden zoo dadelijk komen af te leggen….. te meer daar wij op gisteren de papieren hebben ontvangen van de inrichting van een nieuw provisoir gouvernement, door een expresse briefdrager van wege den heer de Brouckere, commissaire te Ruremonde, welke wij op verzoek aan den kapitein van het detachement hebben overgegeven, en alsoo ons dagelijks, bij misverstand en andersints, in de aldergrootste onaangenaamheijd bevinden en blootgesteld zijn”….

Het citaat is getekend door M. Indekeu, W. Thys, J.-M. Vlemelinx, P. Goyens, D. Heymans en L. Goyens.

Auteur Maas noteert ook dat er de tijdens het bezoek van burgemeester Indekeu aan het punt van de doorbraak der vaart, door de Hollandse soldaten wezenlijk doodsbedreigingen tegen hem gedaan werden en dat hij misschien zelfs mishandelingen moest ondergaan.