Dit is weer een rechtstreekse voorvader. Hij is geboren en gedoopt te Thulin op 7 januari 1754. Peetouders zijn Jean Michel Henaut en Marie Françoise Dassonville. Kapelaan was J.J.Daucho. Ik vermeld hier dat ook al een Henaut en een Dassonville peetouders waren van een kind van Alexis Amand en Adrienne Lemaire in 1753.

Boniface is op 15 november 1785 peter van François Amand, onwettige zoon van Druon en Theresia Dupont uit Eerdegem. Meter is Aldegonde Legrand van de parochie Notre Dame de la Chapelle. De doop heeft plaats in de Brusselse parochie St Gery. Boniface, 31, en zijn acht jaar jongere broer Druon waren toen “pyrobolarius” in het legioen van de Lignes, dat is kanonnier bij het leger van de latere prince de Ligne die een huurleger had.

Op 7 mei 1787 is hij 33 en trouwt hij in Brussel in de Sint Nikolaaskerk met Isabelle Dupré (ook geschreven als Duret, Duprès, Duprez, du Pré), geboren te Brussel op 29 maart 1766. Ze is een dochter van Mathieu Dupre en Anne Marie Hobert. Ze is er gedoopt in de kerk van Notre Dame de la Chapelle. Als ze trouwt woont ze in de Schipstraat. Getuigen bij het huwelijk zijn haar vader, die toestemming tot het huwelijk geeft omdat ze nog minderjarig is en Jeanne Philippe Hobert, wonend in de Hooghstraat. Voor zover we weten krijgen ze 8 kinderen.

Ze blijven in Brussel wonen. Een jaar later wonen ze “aent begijnhof”, waar hun eerste dochter Anne geboren wordt op 15 augustus 1788. Die wordt gedoopt in de parochie Sainte Catherine.

Daarna verhuist het gezin. In 1790 is hij in Gheluwe, het huidige Wervik in West-Vlaanderen, waar op 30 juni 1790 hun tweede dochter Angelique Caroline Dorothee geboren wordt. Daar zal Boniface wel al douanier geweest zijn, misschien wel in dit douanekantoor. Tussen 1790 en 1797 kunnen er zeker nog kinderen geboren zijn, maar daar heb ik nog geen spoor van.

In 1797 is hij douanebeambte in Wuustwezel en woont het gezin in het gehucht “Cruijswegh”. Daar wordt op 5 december zijn dochter Marie Antoinette geboren. Op http://users.skynet.be/fietsroutes-charel/wust.html vind ik “op de Kruisweg aan de oude verbindingsweg Antwerpen – Breda stond de vroegere afspanning “Den dobbelen Arendt” nu Napoleonshoeve. Ze lag precies op een dagmars van de garnizoenssteden Breda en Antwerpen . Ze deed dienst als posthuis (bovenop postbode te paard), café, hotel, brouwerij, vervoercentrum, winkel, boerderij… . Passanten en krijgsvolk vonden er logies. (Napoleon??)”.

Rond 1798 wordt in Mouscron zijn dochter Eugenia geboren. Die geboorteakte heb ik nog niet gevonden. Boniface is dan 44 en Isabelle 32.

Van 1800 tot 1805 woont hij als douanebeambte in Stabroek, waar zijn 4 andere kinderen geboren worden. De geboorteakte van mijn rechtstreekse voorvader Charles Antoine, uit het jaar VIII (1800), ontbreekt in de Burgerlijke Stand. Hyacinthe Joseph wordt er geboren in 1801 en in de geboorteakte akte van Felix Constant op 27 oktober 1802 staat dat hij 47 is en douanebeambte in het kantoor van “Putte France”. Er staat bij dat hij in Thulin geboren is, in het departement Jemappe en dat hij in Stabroek woont in de zesde sectie. In 1805 wordt zijn zoon Jacques geboren.

Volgens mijn bron Leon Amand (1920-1989) is het gezin op 18 juni 1815 naar Thulin teruggekeerd. In 1823 komt Boniface er op 28 juni het overlijden aangeven van zijn neefje Alexis Amand. Hij is dan 64 (onjuist dus) en cabaretier (herbergier) van beroep. Op 3 december van datzelfde jaar komt hij het overlijden van een buur aangeven. Aan zijn handtekening kunnen we zien dat het wel degelijk om hem gaat. Ook hier staat 64 jaar en als beroep staat nu rentenier. Interessant is dat we weten dat hij in de section A 118 woont.

In de huwelijksakte van zijn dochter Marie Antoinette uit datzelfde jaar staat dat hij “geemploijeerden” bij de Belgische Douanen is en “toestemmende voor Meester Jacobus Josephus Delamij, koninklijke notaris ter residentie van Boussu, en wonende in Thulin zoals zijn echtgenote.”

In 1824 bij het huwelijk van zijn dochter Anne met Alexis Joseph Dubus is hij volgens de akte 69, woont hij in Thulin en is hij cabaretier ofte herbergier en in 1825, bij het huwelijk van zijn dochter Angelique Caroline Dorothee, is hij 73 (de aangegeven leeftijden kloppen dus niet altijd…) en herbergier in Thulin. In december 1827, bij het huwelijk van zijn zoon Charles Antoine met Valentine Debaisieux, is hij gepensioneerd en woont hij nog steeds in Thulin. In januari 1828, bij de trouw van zijn zoon Jacques met Marie Thérèse Joseph Ducobu te Boussu, is hij er nog steeds bij en woont hij nog in Thulin.

Op 15 december 1833, om 18 uur sterft zijn vrouw te Thulin, in de leeftijd van 66 jaar. Boniface is zelf het overlijden niet komen aangeven. Was hij daartoe misschien niet meer in staat? Hij was toen immers al 79. Dan staat hij nog steeds als herbergier ingeschreven. Zelf sterft hij op 27 augustus 1836 om 13 uur te Bury in de ouderdom van 82 jaar. Als beroep staat er dan ex-ontvanger van belastingen. Hij woonde toen in de rue d’Hoyaux. Zijn zoon Charles Antoine en een vriend, Constant Letierce, 27 jaar, ook bij de douane, zijn het overlijden komen aangeven.

Boniface kreeg 8 kinderen. 3 zonen, van wie er een op vijfjarige leeftijd overleden is en 5 dochters.  7 van die kinderen zijn getrouwd tussen 1821 en 1828. Hij heeft zelf nog 17 kleinkinderen weten geboren worden.

Vermits Boniface douanier was op het einde van de 18e eeuw, vermelden we hier enkele wetenswaardigheden over dit boeiend beroep, zoals die vermeld staan in het werk “La douane belge au temps de Marie-Thérèse et de Joseph II”, dat J. Pricken schreef in Brussel in 1965. Deze was “directeur général honoraire des douanes et accises”. Ter herinnering vermelden we hier dat België onder Oostenrijks Bewind leefde van 1713 tot 1794. De wijze en geliefde Maria Theresia regeerde van 1740 tot 1780 en de verlichte en voortvarende “keizer-koster”, Jozef II regeerde van 1780 tot 1790.

Hoe zou Boniface zijn aangeworven?
Vanaf 1779 stond de recrutering voor de ondergeschikte kaders op punt. De geïnteresseerden moesten vrijgezel zijn, tussen 20 en 30 jaar oud en zich op het kantoor van de regie begeven, voorzien van een doopakte en een getuigenis van goede zeden, dat moest afgeleverd zijn door de pastoor of door de wetsdienaars van zijn woonplaats. Reeds in 1770 was bepaald dat ze moesten kunnen lezen en schrijven. Als bewijs hiervan twee sierlijke handtekeningen op akten van 1802 en 1825.

De clausule over het celibaat was gerechtvaardigd, gezien de lage lonen van de bedienden. Ze zouden moeilijk een familie kunnen onderhouden. Mijn voorvaderen hebben zich overigens duidelijk niet aan dit voorschrift gehouden. Als ze, eenmaal in functie, wilden trouwen, moesten ze daarvoor de uitdrukkelijke toelating krijgen van de “Conseil des Finances”, het hoogste administratieve gezag bij de douane. Deze toelating was trouwens later nog vereist, zoals blijkt uit bijgevoegd uittreksel uit de huwelijksakte van mijn rechtstreekse voorvader Charles Antoine Amand in 1827. Vrij vertaald staat er: Charles Antoine Amand, 27, bediende te voet van de 4de klas in Bon Secours. Gedomicilieerd in Blaton. Vrij van legerdienst volgens het getuigschrift van zijne excellentie de gouverneur van de provincie Brugge van 15 september 1826 en toegestaan te huwen door toestemming van de Raad van State afgeleverd te Den Haag op 29 oktober 1827. Geboren te Stabroek…

Wat weten we over die lonen?
Een gewone “garde” verdiende ongeveer 240 gulden per jaar en hij moest zelf instaan voor zijn woonst. Wat dit betekent, moge blijken uit het volgende: in 1770 betaalde een ongehuwde beambte 18 gulden per jaar voor de huur van kwartieren met twee plaatsen, met een tafel, een houten bed, een kast, twee stoelen en een draagbaar kookvuur. Voor een huis – en een gehuwde beambte had dit allicht nodig – betaalde men ongeveer 26 gulden jaarlijks. De beambten moesten trouwens ook zelf hun schouderriem betalen. Deze was versierd met een bronzen medaille en diende als herkenningsteken. Ze moesten zich ook op eigen kosten wapens aanschaffen. Dit kon een geweer, een pistool of een sabel zijn. Terloops merken we hier op dat er geen duidelijke onderrichtingen bestonden om het gebruik van de wapens te regelen. Als we die lonen en onkosten nu vergelijken met andere categorieën arbeiders, komen we tot het besluit dat een douanebeambte er niet slechter aan toe was dan een geschoold arbeider, zeker daar hij een vast beroep had en dus minder kans op werkloosheid.
Daartegenover moeten we echter twee dingen stellen.
Ten eerste dat de douanier veelvuldig moest verhuizen. We nemen hier het voorbeeld van Boniface en kunnen stellen dat hij in zijn leven toch heel wat heeft rondgetrokken. Uit verschillende documenten kan ik afleiden waar hij gedomicilieerd was:

  • 1754 Thulin
  • 1785, 1788 Brussel
  • 1790 Geluwe
  • 1797 Wuustwezel
  • 1800, 1805 Stabroek
  • 1823, 1825, 1827, 1828, 1833 Thulin
  • 1836 Bury

Het kon erger… een gewone “garde” kon in zo’n twintig (!) verschillende plaatsen moeten dienst doen. Als ze moesten verhuizen kregen ze trouwens geen enkele vergoeding. Was het een verre verplaatsing, dan verkochten ze hun meubelen aan een spotprijs en als de winter naderde, verkochten ze ook nog hun voorraad aardappelen…

Als voorbeeld dit geval uit 1761: een zekere garde Robles werd van Rolduc, bij Kerkrade, overgeplaatst naar Avelgem. Hij vertrok op 7 oktober en kwam aan op de 17de. Voor zijn reiskosten kreeg hij tweemaal een voorschot, dat later van zijn wedde werd afgehouden. Slechts in 1787 kwam er een vergoeding voor de lagere bedienden, het bescheiden bedrag van tien gulden.

Ten tweede dat de minste onregelmatigheid hem zo niet zijn werk, dan toch een halve of een hele maand wedde kon kosten. Misstappen konden zijn: trouwen zonder toestemming van de Raad van Financiën, vragen om te trouwen met een meisje dat door toedoen van de douanier zwanger was of voorliegen dat ze zwanger was, geen schouderriem dragen, jagen, honden houden, handel drijven, dronkenschap, de meest voorkomende misstap. In 1774 werden er om deze reden 35 douaniers afgedankt en in 1775, 36. Gelukkig betekende straf niet altijd ontslag. Soms werd een beambte gedegradeerd of werd zijn wedde verminderd.

Wat met het pensioen?
Voor een douanier was er geen ouderdomsgrens bepaald. De meesten werkten dan ook zo lang mogelijk, want als pensioen kreeg men soms maar 120 gulden of minder. In 1765 waren er zo nog 19 beambten tussen de 65 en 70, 4 tussen 70 en 75 en zelfs 5 van nog ouder. Later, na 1782, werd er toch een vast pensioen voorzien al naargelang de jaren dienst.Stierf een douanier, dan kreeg de weduwe één maandwedde doorbetaald om terug te keren naar haar geboortestreek… Soms kreeg ze drie maanden wedde “als het echt nodig was en als er kinderen waren”.

Als besluit vertaal ik vrij het besluit van auteur J. Pricken. “Deze “belle époque” van de tweede helft van de 18e eeuw, was voor de kleinen, voor het voetvolk van de douane, een ijzeren periode, die de geschiedenis niet vermeldt. De douanier had grote schrik voor de dag van morgen, voor ziekte, voor ouderdom. Hij liep het risico op elk moment verplaatst te worden naar de andere kant van het land. Hij was voortdurend bang een onregelmatigheid te begaan, want die kon hem een halve of een hele maand wedde kosten. Hij had schrik afgedankt te worden en zich te bevinden tussen de massa werklozen, bedelaars en landlopers”.

NO COMMENTS
Post a comment